De impact van het coronavirus (COVID-19) op overeenkomsten: overmacht en imprevisie (1)
23
apr

De impact van het coronavirus (COVID-19) op overeenkomsten: overmacht en imprevisie (1)

Opgelet: Deze bijdrage werd opgemaakt aan de hand van het algemeen verbintenissenrecht, de rechtspraak en de rechtsleer, van toepassing op de datum van het schrijven. Het is niet uitgesloten dat er naar aanleiding van de coronacrisis specifieke wetten of besluiten worden genomen over dit onderwerp, al dan niet toegepast op specifieke sectoren. Bij twijfel wint u best verder juridisch advies in.

 

De overeenkomst strekt de partijen tot wet

Een overeenkomst is een bron van verbintenissen. Die overeenkomst kan mondeling of geschreven zijn. Bij wederkerige overeenkomsten zal elke partij een verbintenis hebben.

Voorbeeld: bij een koopovereenkomst verbindt de verkoper zich o.a. om het goed te leveren, terwijl de koper zich ertoe verbindt om een prijs te betalen.

Elke overeenkomst is bindend ten opzichte van de partijen.

Het principe blijft dus – ook tijdens de coronacrisis- dat u al uw verbintenissen te goeder trouw moet blijven nakomen.

Indien een partij de verplichtingen die zijn vastgelegd in de overeenkomst niet nakomt, dan begaat zij in principe een contractuele wanprestatie die gesanctioneerd kan worden.

Voorbeeld: een producent verbindt zich om auto-onderdelen te leveren aan een garage. Indien de auto-onderdelen niet (tijdig) geleverd worden, dan is de producent in principe contractueel aansprakelijk. 

 

Niet-nakoming van de overeenkomst: vreemde oorzaak en overmacht

In sommige gevallen zal de niet-nakoming echter geen aanleiding geven tot een wanprestatie, met name indien de niet-nakoming “niet toerekenbaar” is.

Dit principe is vastgelegd in de artikelen 1147 en 1148 Burgerlijk Wetboek, die bepalen dat men geen aansprakelijkheid oplopen indien de niet-nakoming het gevolg is van een “vreemde oorzaak” of “overmacht”.

Hoewel beide begrippen vaak als synoniemen worden gebruikt, duidt het begrip “overmacht” in het algemeen op voorvallen die ingrijpen “buiten elk aanwijsbaar menselijk handelen om”. Hier kan dus gedacht worden aan een epidemie, zoals COVID-19.

Het begrip “vreemde oorzaak” wijst eerder op voorvallen te wijten aan handelingen van derden voor wiens handelen de contractspartijen niet verantwoordelijk zijn, bijvoorbeeld overheidsmaatregelen (fait du Prince) zoals die genomen zijn naar aanleiding van de coronacrisis.

Deze begrippen worden traditioneel streng ingevuld en volgens de rechtspraak dienen er verschillende criteria te worden voldaan alvorens een partij zich op overmacht of een vreemde oorzaak kan beroepen:

1) Het voorval moet ontoerekenbaar zijn aan de partij die zich erop beroept.

Volgens dit criterium moet het voorval onvoorzienbaar zijn geweest bij de contractsluiting. Bovendien moet vaststaan dat het voorval niet redelijkerwijze voorkomen of vermeden kon worden. Tevens is belangrijk dat men niet al in gebreke was om zijn verbintenis na te komen op het ogenblik van het voorval.

Het coronavirus of de getroffen overheidsmaatregelen daaromtrent zijn ongezien en dus kan ook redelijkerwijze gesteld worden dat deze voorvallen moeilijk konden worden voorspeld of voorzien, tenzij men natuurlijk het contract afsloot op een moment dat de gevolgen wel al duidelijk waren.

Voorbeeld:U levert marmer uit Noord-Italië aan uw klanten, maar de productie ligt daar momenteel volledig stil. Indien deze levering vorig jaar werd afgesproken, dan kan u zich misschien wel beroepen op een overmachtssituatie. Indien u echter morgen belooft om marmer uit Noord-Italië te leveren, dan wordt er ook van u verwacht dat u dit doet en kan u zich niet meer om dezelfde redenen op overmacht beroepen.

Het is ook belangrijk om te onderzoeken waarom een partij precies in gebreke blijft. Indien men ook zonder virus of maatregelen in gebreke was, dan kan men zich niet beroepen op de coronacrisis als overmachtssituatie.

Voorbeeld: Indien u vorig jaar door eigen fout te weinig marmer besteld had en u kan daardoor nu maar een deel van de afgesproken hoeveelheid leveren, dan kan u zich niet op de huidige coronacrisis beroepen om uzelf te bevrijden van die verbintenis.

2) Het voorval moet leiden tot een volstrekte onmogelijkheid van nakoming.

Deze voorwaarde houdt in dat de situatie van overmacht ook zorgt voor een onoverkomelijk beletsel voor de nakoming. Als de nakoming van een contractuele verbintenis alleen maar moeilijker of duurder zou zijn, dan is er geen situatie van overmacht voorhanden.

De coronacrisis kan dus leiden tot een situatie van overmacht, maar dit is zeker niet altijd het geval.

Voorbeeld: De producent van auto-onderdelen krijgt bericht van zijn gebruikelijke leverancier dat deze gesloten werd door de overheid in het kader van de coronacrisis. De leverancier kan zich wellicht beroepen op overmacht. Het is echter niet zo dat ook de producent van de auto-onderdelen dit automatisch ook kan ten opzichte van de garages waaraan hij levert. Indien er momenteel geen andere manier is om aan de grondstoffen te geraken, dan is er wellicht sprake van een onoverkomelijk beletsel. Indien de producent echter grondstoffen kan aankopen van een andere fabrikant, ook al is dat duurder, dan kan hij zich in principe niet op overmacht beroepen en moet hij blijven leveren aan de garages. Het voorval mag dan wel ontoerekenbaar zijn aan de producent, maar het leidt niet tot een onmogelijkheid van nakoming.

Het dient wel vermeld te worden dat er zich de laatste jaren, vooral in de rechtsleer, een tendens voordoet om de voorgaande voorwaarden iets soepeler op te vatten, waarbij het zou kunnen volstaan dat de uitvoering “menselijkerwijze of praktisch onmogelijk is”. De rechtspraak is hierover eerder terughoudend.

Het valt dan ook af te wachten hoe deze principes worden toegepast op de coronacrisis, aangezien deze situatie zich nog niet op deze schaal heeft voorgedaan en er dus weinig of geen precedenten zijn. Het is ook niet ondenkbaar dat er specifieke wetgeving zal komen over overmacht tijdens de coronacrisis.

Het is tevens belangrijk aan te stippen dat concept van “overmacht door financieel onvermogen” niet bestaat in het Belgisch recht. Financieel onvermogen, ook al is het te wijten aan externe omstandigheden zoals de coronacrisis, heeft in principe niet tot gevolg dat men wordt bevrijd van de verbintenis om te betalen (Cass. 28 juni 2018).

Voorbeeld: Een garage heeft auto-onderdelen besteld maar door de coronacrisis heeft zij momenteel veel minder inkomsten. Indien de auto-onderdelen zoals afgesproken worden geleverd, zal de garage in principe toch moeten betalen. Zij is niet bevrijd van haar betalingsverbintenis.

 

Zou men zich in het kader van de coronacrisis kunnen beroepen op overmacht, dan moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de onmogelijkheid van tijdelijke aard en de onmogelijkheid van blijvende aard.

Indien de overmachtssituatie tijdelijk is, dan wordt de verplichting om te presteren geschorst tot het moment dat de uitvoering terug mogelijk wordt. Een overmachtssituatie die wordt gecreëerd door overheidsmaatregelen schorst dus de verbintenis totdat de maatregelen terug worden opgeheven.

Indien de overmachtssituatie blijvend is, dan is men definitief bevrijd van zijn verplichting om te presteren.

Bij blijvende overmacht ligt het risico van het financieel verlies in principe bij de tegenpartij.

Evenwel wordt er van uit gegaan dat bij wederkerige contracten (iedere partij moet een prestatie leveren) ook de tegenprestatie vervalt en dat de wederkerige overeenkomst van rechtswege tenietgaat.

Voorbeeld: Indien u vanaf volgende maand een huis huurt, maar de verhuurder kan het huis door overmacht nog niet ter beschikking stellen omdat hij nog in het buitenland zit en de grens niet over mag, dan bent u (voolopig) ook niet gehouden om uw tegenprestatie te voldoen, namelijk het betalen van de huurprijs. 

Let op: Contractueel of wettelijk kan er soms een andere regeling gelden over de gevolgen van de overmachtssituatie. Bij de koop van een specifiek goed geldt bijvoorbeeld dat het risico samen met de eigendom overgaat op het moment dat het contract gesloten wordt. Indien het goed nadien teniet zou gaan door overmacht, dan zal de koper in principe toch moeten betalen omdat hij wel al eigenaar en risicodrager was.

Om de concrete risico’s in te schatten wint u best dus eerst advies in.